Openingstoespraak 2010 Afdrukken

Openingstoespraak 28-8-2010

Dames en heren,
Stilzwijgende taal in steen; taal in steen; in steen; steen. Steen!
In de Kerkstraat in Bredevoort ligt wat nonchalant bij een oprit een laatmiddeleeuwse brok zandsteen. Tot voor kort kon geen mens de zwijgende taal van deze steen tot spreken brengen. De gebeitelde gotische letters vormden een raadsel. Wat stond er op? Waar kwam die steen vandaan? Wat had de mensen toen bezield om een steen te bewerken en er woorden op aan te brengen? Na enig puzzelen, onderzoek en aannames, die op de historie van Bredevoort stoelen, staat er op dit zandstenen fragment: Lintell. De steen zo nemen we aan, is een fragment van de gedenksteen die eens boven de toegangspoort van het laatmiddeleeuwse klooster Nazareth of Schaer prijkte. Derck van Lintelo was immers in 1429 de mede stichter van dit klooster van de mannen Devotio Modera*) en de annalen vermelden, dat zijn naam de toegang tot het kloostercomplex markeerde. Het klooster werd rond 1600 met de grond gelijk gemaakt en stenen die herinnerden aan het klooster waren in de toen heersende doctrine, gevaarlijk. Het fragment is bij het uitbaggeren van de naburige Schaersbeek gevonden.
Stilzwijgende taal in steen, het zwijgen tot spreken brengen, want taal is communicatie, maar de communicatie met een steen vereist minstens openheid, inspanning, arbeid en zweet. Wat heeft de mens toch met stenen? Heel veel. Toen in onze traditie-verhalen God de wateren scheidde en het droge land te voorschijn kwam en de mens er voet aan wal zette, begon zijn relatie met stenen. Er is geen enkele belangrijke cultuur, die niet haar wezenlijke trekken uitdrukte en uitdrukt door in steen te hakken, aan steen vorm te geven, naar men hoopte en hoopt blijvend, voor altijd. Stenen belichamen de onvergankelijkheid, het blijvende, dat wat niet voorbij mag gaan in de stroom van de tijd en in de erosie van de elementen. Het vluchtige wonder van de schepping, waarin sommige (en er waren tijden dat velen dat vonden) Gods aanwezigheid vermoeden en ervaren, daagt de mens uit grensstenen uit te hakken, markeringspunten neer te leggen in onvergankelijke steen.
We begrijpen veel, zo denken we, we kunnen veel verklaren en bewijzen, maar in de grote gang van tijd en ruimte met ons ruimteschip ‘Aarde’, voelen we in onze beste momenten dat ons veel geschonken is als een cadeau. De kunst is het om dat cadeau uit te pakken.
Kunstenaars, beeldhouwers die Larvikietsteen in het verre Noorwegen als cadeau uit pakken met zagen, hamers, beitels, slijptollen en met wat al niet meer, weten dat de stilzwijgende taal van het wonder van de schepping, blootgelegd moet worden. Eigenlijk is het een zeer devoot werk, want de steen is sterk, weerbarstig. Volharding, pijnlijke handen, stof en zweet, zij ontsluieren de taal in de vorm die al opgesloten zat in de steen, die eens uit de diepte van de aarde kwam.
Alanus ab Insula, Alanus van Rijssel, is de naamgever van de Hochschule in Alfter bij Bonn. Studenten van deze Hochschule droegen bij aan het tot spreken brengen van de zwijgende taal in steen. Een van de spreuken van Alanus, de theoloog uit de 12e eeuw, luidt: God is als een begrijpelijke bol, waarvan het middelpunt overal is en wiens omtrek nergens. Kunstenaars, zieners in steen, horen bij dat scheppende middelpunt.
Een schone stenen sculptuur, zonder de andere tekort te doen, vind ik  ‘Weerzien’ of Wéér- zien. Het ligt er maar aan waar je de klemtoon legt. Een vorm in steen, uitgepakt door de steenhouwer, die een wezenlijke behoefte van het mens-zijn uitdrukt: Weerzien; Wéérzien.
In onze huidige cultuur is er nogal sprake van verslonzing. Het oppervlakkige, het triviale, het platvloerse worden als hoogste verworvenheden gepredikt. Alanus draait zich om in zijn graf in het klooster Citeaux. Hij zag het ware menselijk leven in harmonie met het geschenk van de schepping, eerst ontstaan, als de mens, het klink ouderwets, weer deugden ontwikkelt, die hem geschikt maken voor de inwoning van de schepper om zelf schepper te worden. Hij vergelijkt de deugdzame mens met een vesting. Het zou de vesting Bredevoort kunnen zijn. De vesting is opgebouwd met deugden als deemoed ( de vestingwal), met standvastigheid (de muren van steen), met moed (de torens), met kracht van Geest (het bolwerk). Het zijn naar mijn mening mede deugden die nodig zijn om de zwijgende taal in steen tot spreken te brengen.
Ik sprak al over het devote werk van de steenhouwer. Het zijn geen schreeuwers in oneliners, maar meer naar ingetogenheid en zwijgen neigende mensen, die in de stilte van dat zwijgen de zwijgende taal in steen horen en er stem aan geven. In die stenen met de zwijgende taal licht het Larvikiet blauw op, vooral daar waar gepolijst is om zo de overgang van schepping en oervorm te markeren. Het is een daad met culturele diepte. Deze steenhouwers zijn de ontsluieraars van de kleur van de aarde: het blauw met de taal die je moet weerzien of wéérzien.
Bredevoort kent Bredevoort Boekenstad. Het afgeschreven gesloten boek, waarin de taal tot zwijgen is gekomen, vraagt om een lezer die het kaft opent en aan de woorden nieuw leven schenkt.
Bredevoort kent het atelier van Thorvald Dudok van Heel in het oude pand aan de Koppelstraat. Een atelier dat het medium steen, Larvikiet, gebruikt om wat ogenschijnlijk en ‘oorschijnlijk’ niet hoorbaar en leesbaar is, te openen. Verstilde communicatie. Onze tijd vol rumoerige zgn. communicatie heeft dat nodig. Bredevoort heeft dat nodig.
Ik open daarom devoot deze expositie ‘Stilzwijgende taal in steen’. En wens u toe, devoot en verstild, het geopende boek van larvikietsteen met uw aandacht te verrijken. Uzelf te verrijken vooral. Gefeliciteerd Thorvald Dudok van Heel, de stichting en alle deelnemende kunstenaars. Gefeliciteerd ook Bredevoort.

Hans de Graaf

Openingstoespraak 28-8-2010 bij de beeldententoonstelling